‘Daarom noem ik mij Atheïst’ Twaalf jaar later. (II)

Date: 27 februari 2013

Ook voor de gelovige is het atheïsme de condition humaine. Een volwassen geloof kan niet zonder atheïsme. Alleen vanuit het atheïsme kan de stap naar het geloof worden gezet. God kan alleen worden gezocht, aanvaard en bevestigd door wie Hem ook kan vermijden, kritiseren en ontkennen. Wanneer God al bestaat, dan blijkt zijn grootheid uit het feit dat hij een wezen schiep dat hem kan loochenen en geselen. Een wezen dat Hem tot de orde kan roepen.

De Mariakerk in Tilburg

Twaalf jaar na ‘Daarom noem ik mij atheïst’ ga ik weer naar een kerk. Niet naar kerk, maar naar één specifieke kerk: de Mariakerk aan de Schans in Tilburg-Noord. Op zondag viert de Norbertijnse gemeenschap hier haar eucharistie. Hoewel de diensten zich voltrekken binnen de traditionele katholieke orde, zijn het bijzonder opgewekte, inspirerende en vaak uitgesproken vrolijke bijeenkomsten.

Nooit wordt er gevit op homo’s, joden of moslims; niemand scheldt op de seculiere buitenwereld, op overspeligen of afvalligen. De Norbertijnen wonen in soberheid en lijken te leven naar het motto van mijn grootmoeder, Netta Bodelier-Groten (1900–1986): ‘Je moet mensen niet nemen zoals je hen hebben wil, je moet hen nemen zoals ze zijn.’

Tot elk goed werk bereid

De lijfspreuk van de Norbertijnen is ad omne opus bonum paratus: ‘tot elk goed werk bereid’. Hun kloosterleven (beschouwing, gebed, studie en stilte) combineren ze zowel met praktische inzet voor hun parochianen als met het verbeteren van de levens van onbekenden in ellendige omstandigheden, dichtbij en ver weg.

De Norbertijnen nemen expliciet verantwoordelijkheid voor mensen. Ze lijken zich minder te bekommeren om het heil van de kerk of de onsterfelijkheid van de ziel, dan om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. In de advent organiseren ze hulp voor jonge Roma in de Norbertijnenparochie van Zsámbék, Hongarije. In de vastentijd halen ze geld op voor steun aan de kastenloze Dalits in Uttar Pradesh, India. Na de hoogmis is er koffie en een Fair Trade-markt.

De parochie staat in het teken van barmhartigheid, ontferming, solidariteit en verzoening. Ik beken: de Norbertijnen zijn de enigen niet. Buiten het zicht van de media, in de luwte van de machtige wereldkerk, komen talloze christenen dag in, dag uit op voor mensen die achterblijven. En, wanneer ik me niet vergis, is het onder moslims niet anders. In 2001 zat ik op het verkeerde spoor door het christendom volledig te vereenzelvigen met het slechtste wat de westerse samenleving te bieden had.

Ontmoeting met Abraham

Kort en goed: wanneer ik op zo’n zondag tegen half twaalf de Mariakerk verlaat, voel ik me opgetild, gesterkt en, inderdaad… klaar om weer aan het werk te gaan. Of, om het anders te zeggen: in de Mariakerk tref ik een man over wie ik eerder hoorde, maar die ik nooit werkelijk ontmoette. Die man is Abraham.

De afgelopen jaren werkte ik aan een proefschrift over kosmopolitisme en wereldburgerschap. Aanvankelijk overwoog ik een filmscript te schrijven over twee mannen die beiden tot de eerste kosmopolieten gerekend kunnen worden en die ik onder mijn persoonlijke helden schaar: Abraham en Odysseus. Het filmscript kwam er niet; ik koos voor een meer conventionele dissertatie. Maar ooit zal ik het script alsnog schrijven.

De Griek en de Jood

De jood Abraham en de Griek Odysseus zijn tijdgenoten. De verhalen van beide mannen werden rond 800 voor Christus opgeschreven. Wat beiden verenigt is natuurlijk dat ze eropuit trekken. Abraham verlaat na een oproep van God het land van zijn voorvaderen in het huidige Irak en keert er nooit meer naar terug. De rest van zijn lange leven leidt hij een nomadenbestaan in wat vandaag de Westelijke Jordaanoever heet.

Ook Odysseus, heerser over Ithaka, verlaat zijn eiland. Hij verovert Troje. Maar anders dan Abraham keert hij na een tocht van twintig jaar terug op zijn eiland en zet zijn heerschappij weer voort. Terwijl het reizen hen verenigt, staan beide figuren vaak tegenover elkaar. Met list en rede onderwerpt Odysseus de wereld aan zijn ijzeren wil. Adorno en Horkheimer hebben in hun Dialektiek van de Verlichting (1947) prachtig beschreven hoe de Griekse held zijn omgeving bedwingt. Al wat hij op zijn reis tegenkomt — de Kikonen, de Lotuseters, de cycloop Polyphemos — wordt door Odysseus ontmythologiseerd en terzijde geschoven.

Gehoorzaamheid versus wilskracht

Abraham daarentegen onderwerpt niet; hij láát zich onderwerken. Hij gehoorzaamt doorgaans. Hij verlaat huis en haard zonder te weten waarheen de reis gaat, louter omdat God dat van hem wil. Hij levert zijn vrouw Sara uit aan de farao om zijn eigen hachje te redden. Hij is zelfs bereid zijn enige zoon, Isaak, te offeren wanneer God hem dat opdraagt. Terwijl Odysseus de wereld opeist, vraagt Abraham weinig voor zichzelf. Ik twijfel soms of we hem niet ronduit laf moeten noemen, een held op sokken.

Wanneer Abraham in conflict komt met zijn neef Lot, stelt hij hem voor om uit elkaar te gaan. Lot trekt naar het vruchtbare dal van de Jordaan, waarna Abraham genoegen neemt met het dorre Kanaän. En toch is er ten minste één scène waarin hij niet aan zichzelf denkt, waarin hij zijn concurrent Odysseus ver achter zich laat.

De morele grens in Sodom en Gomorra

Het is de scène waarin Abraham God wijst op diens verantwoordelijkheid voor de rechtvaardigen van Sodom en Gomorra. In deze beroemde episode neemt hij de Schepper op louter morele gronden de maat. Het gebeurt wanneer de Almachtige zegt dat hij de steden zal verwoesten en waarin Abraham het, tegen God in, opneemt voor de onschuldigen. Hij neemt het op voor mensen die niet tot zijn gezin of clan behoren. Het is een daad van moed waarmee Abraham zijn eigen reputatie, ja, zijn eigen leven op het spel zet.

‘Er zijn ernstige beschuldigingen geuit tegen Sodom en Gomorra’, zegt God tegen Abraham. ‘Hun zonden zijn ongehoord groot.’ Veel mensen denken dan direct aan homoseksualiteit, maar zij hebben het fout. Onlangs heeft de joods-Amerikaanse filosofe Susan Neiman (Moral Clarity, 2008) er nog eens op gewezen dat het hier gaat om een fundamentele schending van wat wij vandaag ‘mensenrechten’ noemen.

In Sodom en Gomorra werd een samenleving opgetuigd die spotte met naastenliefde. Terwijl gastvrijheid een onbetwist gebruik was, bepaalden de wetten van Sodom dat vreemdelingen moesten worden misbruikt. Op het helpen van armen stond de doodstraf. De belastingen waren regressief: de armsten betaalden het meest. Hoewel de stad baadde in weelde, werden de inwoners verteerd door de angst dat ze hun overvloed moesten delen.

Abraham in opstand

En Abraham nu, de man die zich eindeloos schikte, komt in opstand. ‘Wilt u dan behalve de schuldigen ook de onschuldigen het leven benemen? Hij die rechter is over de hele aarde moet toch rechtvaardig handelen?’

Ik vind Abrahams optreden adembenemend. Wat moet de man bang zijn geweest toen hij de Koning der Koningen zo terechtwees. En hij gaat door. Hij ‘pingelt’ met God over het aantal rechtvaardigen dat nodig is om de stad te sparen: van vijftig naar vijfenveertig, tot uiteindelijk tien.

Wat hier gebeurt, verrast atheïst en gelovige. Een bange man die zich altijd conformeerde, trekt plots alle registers open om God te weerhouden van een massaslachting. Abraham wijst God op de morele wet. Hij vertelt hem dat de moraal bóven de godsdienst staat. Ook de Schepper moet zijn meerdere erkennen in de verplichting tot medemenselijkheid.

Aartsvader van de ethiek

Odysseus is de denkende en handelende mens die de wereld aan zich onderwerpt en geschiedenis maakt. Hij is de aartsvader van de filosofie, de wetenschap en de vooruitgang. Abraham is de wijfelende mens die zich laat onderwerpen, maar die, wanneer het erop aankomt, zijn leven waagt voor anderen. Hij is de aartsvader van de religie, het vertrouwen en de ethiek.

We hebben beiden nodig.
In mijn opstel ‘Daarom noem ik mij atheïst’ was ik Abraham even uit het oog verloren.

Leave a Reply

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

single.php