
Vladimir Makovskij 1893. Een optimist en een pessimist
Hoe een zwartgallige groep intellectuelen de afname van menselijk lijden niet wil zien
Progressieve romantici betogen vaak dat het vangen van menselijk leed in cijfers en statistieken een koudhartige en immorele bezigheid is. Wat heeft een moeder in Gaza die haar kind verloor, aan cijfers over dalende percentages oorlogsslachtoffers?
In werkelijkheid vormt data-gedreven denken de meest krachtige basis onder elke vorm van moraliteit. Waar de pessimisten zich blindstaren op emotionele anekdotes, dwingen cijfers ons om elk leven -waar ook ter wereld- als even waardevol te beschouwen.
Ralf Bodelier
‘Het is geen geheim dat onze cultuur verzadigd is met doem en somberheid: van post-apocalyptische taferelen in film en literatuur tot waarschuwingen van experts voor een naderende catastrofe door klimaatverandering en kunstmatige intelligentie.’
Zo begint de Amerikaanse filosoof en historicus Émile P. Torres zijn essay ‘De nieuwe optimistenbeweging heeft een getallenprobleem’. Torres houdt zich bezig met de ‘gevolgen van het menselijk uitsterven’, waarbij de vraag of we überhaupt wel uitsterven blijkbaar al beantwoord is. Torres wenst aan deze verzadiging nog wel wat toe te voegen.
‘Elk jaar sterven er gemiddeld 580 duizend mensen op gewelddadige wijze (…) Alleen al in de VS worden ongeveer 463 duizend mensen verkracht of seksueel misbruikt en worden elk jaar ongeveer 600 duizend kinderen misbruikt (…) Wereldwijd leven ongeveer 1,2 miljard mensen in acute, multidimensionale armoede, waarvan 712 miljoen in extreme armoede (…) Maar liefst twee miljard mensen hebben geen toegang tot schoon water, terwijl wereldwijd nog eens 150 miljoen mensen dakloos zijn.’ Volgens Torres is onze wereld een soort ‘horrorshow’ en een ‘absolute nachtmerrie’. ‘Het is nog nooit zo erg geweest’, stelt de filosoof. ‘En het ergste moet waarschijnlijk nog komen.’
De lokroep van het pessimisme
Torres heeft de tijd mee. Wanneer onderzoekers wereldwijd de vraag stellen ‘Hoe gaat het met u, en hoe gaat het met ons’, dan vertelt een overgrote meerderheid dat het prima met hem of haar gaat, en dat het slecht met ons als geheel gaat. En wanneer onderzoekers wereldwijd de vraag stellen ‘denkt u dat de levensomstandigheden voor mensen over de hele wereld de komende 15 jaar beter of slechter zullen worden?’, dan verwacht meer dan de helft van de ondervraagden dat het slechter zal gaan. De Fransen, inwoners van het meest aangename vakantieland ter wereld, zijn het somberst: amper drie procent ziet nog licht in de duisternis. De Amerikanen volgen met zes procent. Nederlanders werden in het onderzoek helaas niet meegenomen.
In zijn zwartgalligheid staat Torres bepaald niet alleen. Met titels als Schokeffecten, Apocalypsofie en Learning To Die In The Anthropocene overspoelen intellectuelen ons met apocalyptisch denken. Geen wonder dat deze zwartkijkers zich storen aan wetenschappers als Steven Pinker en Max Roser, uitzonderlijke denkers die deze dysforie met nuchtere cijfers weerspreken. Torres omschrijft Pinker en Roser als ‘Nieuwe Optimisten’ en bedoelt dat niet als compliment.
Steven Pinker (cognitief psycholoog en auteur van Verlichting Nu) en Max Roser (econoom en initiator van Our World in Data) concentreren zich op wetenschappelijk geverifieerde data over thema’s als gezondheid en armoede, veiligheid en klimaat. Zij kijken of er op de lange termijn vooruitgang wordt geboekt, of we stilstaan of achteruit kachelen. Hoewel we het op sommige dossiers inderdaad minder goed doen (zoals de opkomst van autoritaire regimes en de stijging van het aantal conflicten), is de vooruitgang op de meeste thema’s spectaculair.
Waarom Pinker en Roser geen optimisten zijn
Torres omschrijft Pinker en Roser dan wel als ‘Nieuwe Optimisten’ maar dat Pinker en Roser optimisten zijn, is een misverstand. Wanneer beiden vooruitgang waarnemen, komt dat door de feiten, niet door hun zonnige karakters.
Pinker is bijvoorbeeld ronduit somber over de opkomst van het populisme en noemt de kans op een atoomoorlog ‘realistisch’. Dat zijn geen opmerkingen van een vrolijke optimist. Vooruitgang betekent volgens Pinker dan ook niet dat alles voor iedereen altijd beter wordt. ‘Dat zou geen vooruitgang zijn, dat zou een wonder zijn.’
Max Roser zegt het nog krachtiger: ‘Eén: de wereld is ellendig. Twee: de wereld is veel beter. Drie: de wereld kan veel beter worden.’ Roser wijst er bijvoorbeeld op dat er dagelijks 16 duizend kinderen sterven, wat neerkomt op 5,9 miljoen kindersterfgevallen per jaar. ‘Dit is afschuwelijk. Kindersterfte is een van de grootste problemen wereldwijd.’ Ook dit is geen uitspraak die je associeert met zonnig optimisme.
Toch boeken we ook enorme winst. In 1800 haalde 1 op de 2 kinderen de 15e verjaardag niet. Vandaag is dat wereldwijd gezakt naar 1 op de 25. Dat is nog steeds 4 procent. In Nederland is het inmiddels minder dan 0,4 procent. Omdat we dit in Nederland bereikt hebben, is het een morele vanzelfsprekendheid om dit ook in landen als Congo of Afghanistan te realiseren. Gezien de fors gedaalde cijfers bij óns weten we bovendien dat dit ook bij hén mogelijk is.
Claim 1: Is statistiek koudhartig?
Torres maakt drie claims. De eerste is impliciet: Pinker en Roser zouden louter over percentages spreken en niet over ‘echte’ mensen. En dat zou een immorele, koudhartige benadering zijn die voorbijgaat aan individuele tragedies. Wat heeft een moeder in Congo die haar kind verliest door malaria immers aan wereldwijde cijfers over dalende malariaslachtoffers?
Dat laatste is evident. Deze moeder heeft hulp en troost nodig, geen statistiek. Toch moet Torres weersproken worden. Juist het gebruik van cijfers en statistiek is een humane, morele manier om met lijden om te gaan. Want alleen zo behandel je élk mensenleven als waardevol. In de statistiek doet het er niet toe of een kind sterft in Congo of in Nederland; het maakt geen onderscheid naar kleur, afkomst of status.
Journalisten en documentairemakers zoomen vaak in op herkenbare slachtoffers die toevallig beschikbaar zijn. Dat betekent dat een moord in de VS -vergeven van journalisten en camera’s- veel meer aandacht krijgt dan een moord in Bulgarije. Dat ze inzoomen op herkenbare slachtoffers is voor hen belangrijk, want zonder gezichten en verhalen heb je immers niets om in de krant te zetten of op het journaal te tonen. Met droge statistiek kun je weinig in de huidige beeldcultuur. Door die focus op beelen en herkenbare verhalen weet je echter nooit of het een uitzonderlijke gebeurtenis betreft, of dat de gebeurtenis de regel is. Dat weet je alleen wanneer je werkt met wereldwijde data.
Door de aanwezigheid van camera’s en journalisten bij enkele rampen, krijgen slachtoffers van die rampen alle aandacht, gevolgd door hulp; terwijl slachtoffers van rampen zonder camera’s en journalisten aan de vergetelheid zijn overgeleverd en geen aanspraak kunnen maken op hulp. Terwijl de afgelopen jaren dag-in dag-uit werd ingezoomd op de 70 duizend oorlogsdoden in Gaza, was er vrijwel geen aandacht voor de 200 duizend oorlogsdoden in Sudan, of de 700 duizend in Ethiopië. Daarentegen behandelen data-gedreven denkers als Pinker en Roser elk leven als gelijk. Vervolgens helpen cijfers ons te identificeren waar inzet en hulp het hardst nodig zijn en welke maatregelen écht effect sorteren.
Claim 2: Absolute versus relatieve cijfers
De tweede claim van Torres is dat optimisten zich verschuilen achter percentages om de ellende te bagatelliseren. Hij stelt dat we onthutst zouden zijn als we de absolute aantallen zouden zien: nooit eerder werden, bijvoorbeeld, zoveel mensen vermoord -400 duizend- als tegenwoordig.
Op het eerste gezicht lijkt Torres natuurlijk gelijk te hebben. In, bijvoorbeeld, de tijd van de jagers en verzamelaars leefden er nog maar vijf miljoen mensen op aarde. Bovendien was de levensverwachting in die tijd 26 jaar. Nogal wiedes, zou je denken, dat er oneindig veel minder depressies, hartinfarcten, kankerdoden, verkrachtingen en moorden waren.
Al is juist dat laatste betwistbaar. Onderzoekers denken dat tussen de 15 en 25 procent van de jagers en verzamelaars wel degelijk omkwamen door onderling geweld. (Ter vergelijking: zelfs in de bloedige 20e eeuw -inclusief twee wereldoorlogen en de Holocaust- stierf ‘slechts’ 1 tot 3 procent van de wereldbevolking door direct geweld.) De meeste mensen stierven in die tijd aan honger, aan simpele verwondingen, aan parasieten, infectieziektes, óp en ín het kraambed; aan oorzaken die vandaag vrijwel uitgebannen zijn.
Zelfs al zouden al die 5 miljoen jagers en verzamelaars voor hun 15e verjaardag gestorven zijn, dan nog zou de wereld van toen, in Torres’ denken, beter af zijn geweest dan de wereld van vandaag waarin 5,9 miljoen mensen voor hun 15e verjaardag sterven. Bij Torres moeten we immers blijven denken in absolute getallen. Hoe onzinnig deze vorm van redeneren is, blijkt wanneer we het betoog van Torres omdraaien. Anno 2024 worden van de 8 miljard mensen op aarde er ruim 7.996.600.000 niet vermoord. Nooit eerder werden zoveel mensen niet gewurgd, niet neergestoken en niet doodgeschoten. Hoeveel veiliger wil je het nog hebben?.
Pinker en Roser gebruiken overigens beide methoden: verhoudingen én absolute data. Terecht hechten ze meer waarde aan relatieve cijfers. Alleen daarmee kun je immers zinvolle vergelijkingen maken. Statistieken helpen ons bij het identificeren van maatregelen die ellende kunnen verminderen, ook helpen statistieken ons met het afdanken van handelingen die niets opleveren.
Claim 3: Verbergt bevolkingsgroei het lijden?
Terwijl apocalyptici onze meest sombere emoties aanboren (onze angsten, onze hulpeloosheid, onze woede), mikken de data-gedrevenen op onze redelijke vermogens. Dat vervolgens positieve emoties vrijkomen (onze verwondering, onze hoop, ons optimisme) is niet het doel maar een bijkomend voordeel.
De derde claim van Torres is dat percentages verhullen dat ellende in absolute zin toeneemt door de bevolkingsgroei. Laten we de feiten checken:
- Kindersterfte: In 1990 stierven wereldwijd 12,8 miljoen kinderen onder de vijf jaar. In 2022 waren dat er 4,8 miljoen. Ondanks de bevolkingsgroei is dit een absolute halvering.
- Extreme armoede: In 1990 leefden 2 miljard mensen in extreme armoede. Vandaag zijn dat 714 miljoen mensen. Ondanks de forse bevolkingsgroei is dit een daling van 1,3 miljard mensen in dertig jaar.
- Klimaatdoden: In de jaren twintig van de vorige eeuw stierven jaarlijks 524.000 mensen door natuurgeweld. Vandaag zijn dat er gemiddeld 38.000. Verrekend met de bevolkingsgroei van zes miljard mensen is dit een daling van 98 procent.
- Alleen bij moorden krijgt Torres enigszins gelijk: het absolute aantal volgde de bevolkingsgroei en steeg van 360.000 in 1990 naar 397.000 in 2021. De individuele kans om vermoord te worden nam echter wel af.
Het is dus wel degelijk mogelijk om met een toenemend aantal mensen een afnemende hoeveelheid ellende te realiseren. Ik verdedig deze stelling ook in mijn boek Lang Leve de Mens, redden we het ook met 10 miljard? Zoals de econoom Henry George eind 19e eeuw al schreef: “Als er meer haviken komen, zijn er minder kippen. Maar als er meer mensen komen, komen er juist meer kippen. Wij lossen problemen op.”
De logica van het paradijs
De consequentie van Torres’ redenering is dat alleen een wereld met minder of zelfs zónder mensen de meest gelukkige is. Wanneer met een groeiende wereldbevolking het lijden toeneemt, dan neemt dat lijden af wanneer de wereldbevolking krimpt. Uiteindelijk kom je dan weer uit waar het allemaal begon: bij de eerste mensen, bij Genesis, bij het eerste boek van de Bijbel.
In die tijd bestond de volledige wereldbevolking uit vier mensen: Adam en Eva plus hun zoons Kaïn en Abel. Vervolgens sloeg Kaïn Abels hersens in. Dat was één moord. In zijn pleidooi voor absolute cijfers, zal Torres dit als bewijs zien voor zijn stelling dat we er vandaag, met 400 duizend moorden, heel wat dramatischer voorstaan. Met een absoluut aantal moorden van precies één, was de wereldwijde moordzucht nog nooit zo laag als toen.
Pinker zou er daarentegen op wijzen dat Kaïn op dat moment één kwart van de wereldbevolking om zeep hielp. Dat de kans dat je werd vermoord op dat moment dus 1 op 4 was. Zoveel beter zag de wereld er toen niet uit. Vandaag, met 400 duizend moorden op 8 miljard mensen, is die kans nog maar 1 op 20 duizend. Met Pinker en Roser noem ik dit vooruitgang.
Wat we moeten doen
Wat we moeten doen, is dit: gebruikmaken van absolute én van relatieve cijfers. Beide hebben zowel voor- als nadelen. Met absolute getallen, zoals Torres bepleit, geef je in één klap een helder beeld van de omvang van een probleem. Absolute getallen zijn gemakkelijk te begrijpen en te interpreteren, zeker voor romantische intellectuelen met weinig gevoel voor cijfers.
714 miljoen mensen in extreme armoede? Dat zijn bijna net zoveel mensen als in de Europese Unie en de Verenigde Staten samen! 400 duizend moorden? Dat zijn acht uitverkochte concerten van Taylor Swift! 5,9 miljoen dode kinderen? Dat zijn ongeveer evenveel kinderen als de volledige bevolking van Denemarken! 38 duizend klimaatdoden? Dat zijn 76 tjokvolle jumbojets per jaar! Hoogste tijd om overeind te komen om aan deze ellende een einde te maken! Met absolute getallen maak je een probleem invoelbaar en voed je een call to action.
Ben je daarentegen wat meer wetenschappelijk aangelegd, en wil je weten of we vooruitgaan, achteruit kachelen of stilstaan, dan moet je vergelijken met eerdere periodes in de geschiedenis. Ook moet je vergelijken wanneer je wil weten wat in de aanpak van een probleem wel of niet werkt. Dan heb je weinig aan absolute cijfers. ‘Welke aanpak in de bestrijding van COVID-19 werkte nu het beste, die van het liberale Zweden met 11 miljoen inwoners of van het autoritaire Frankrijk met 69 miljoen?’
‘Is de kans om te sterven aan klimaatverandering vandaag met 8 miljard mensen groter of kleiner dan in 1974 met 4 miljard?’ ‘Zijn we op de goede weg in de strijd tegen armoede? Waar in Afrika lukt het wel, waar niet?’ Wil je fatsoenlijke antwoorden op dat soort vragen, dan heb je weinig aan absolute cijfers. Dan heb je relatieve cijfers nodig.
De weigering om relatieve vooruitgang te zien, is niet alleen een cijfermatige vergissing, het is een morele tekortkoming. Wie de statistiek verwerpt om de emoties aan te jagen, ontneemt de mensheid niet alleen haar hoop, maar ook een belangrijk instrument om de wereld werkelijk beter mee te maken.
Samenvatting
- De paradox van de “horrorshow”: Terwijl doemdenkers als Émile P. Torres de wereld omschrijven als een nachtmerrie waarin het lijden groter is dan ooit, laten langetermijndata het tegenovergestelde zien. Het pessimisme is een intellectuele mode die blind is voor historische feiten.
- Data als ultiem humanisme: De kritiek dat statistieken “koud” zijn omdat ze over percentages praten, is een morele vergissing. Juist door elk leven (of het nu in Congo of Nederland is) als één datapunt mee te tellen, behandelt statistiek elk mensenleven als volstrekt gelijkwaardig.
- De valstrik van absolute getallen: Pessimisten schermen met absolute aantallen (zoals 5,9 miljoen dode kinderen) om onrust te zaaien. Dit is misleidend: bij een wereldbevolking die is gegroeid naar 8 miljard, is de individuele kans om te sterven aan honger, geweld of kindersterfte nog nooit zo laag geweest.
- De “Kain en Abel”-logica: Wie de focus op absolute cijfers doortrekt, moet concluderen dat de wereld het veiligst was toen er maar vier mensen leefden. Dat er toen relatief gezien 25% van de mensheid werd uitgemoord (Abel), telt in die zwartgallige logica niet, zolang het absolute aantal moorden maar laag is.
- Meetbare triomfen: Ondanks de enorme bevolkingsgroei zijn de absolute getallen op cruciale dossiers spectaculair gedaald. Zo stierf in 1990 nog 38% van de wereld in extreme armoede (2 miljard mensen); vandaag is dat gezakt naar 9% (714 miljoen mensen).
- Oplossend vermogen: Vooruitgang is geen wonder en geen blind optimisme, maar het resultaat van menselijk vernuft en het stelselmatig oplossen van problemen. Meer mensen betekenen in de praktijk niet meer ellende, maar meer denkkracht om die ellende te bestrijden.

