Essay: Onvoltooide overvloed

Date: 5 november 2026

Om een eerlijkere en schonere wereld te creëren moeten we inzetten op overvloed

Overvloed is niet het zoveel mogelijk consumeren van spullen. Het is het scheppen van meer mogelijkheden voor meer mensen. En dat kunnen we bereiken met minder beslag op natuur, milieu en grondstoffen.

Ralf Bodelier. Groene Amsterdammer, 5 november 2026.

Wij, Europeanen, leven in een gouden eeuw. Ik ben freelancer en geniet een overvloed die voor mijn grootouders nog onvoorstelbaar was. Toch balanceer ik, volgens het CBS, tussen de lage- en de middeninkomenscategorie.
Dat moet een grap zijn. Ik ben steenrijk.

IJkpunt voor mijn welvaart is het leven van mijn grootmoeder Netta. Aan het begin van de twintigste eeuw groeide zij op in de krottenwijken van Aken. Ze woonde in een huis waar de regen door het dak sijpelde, deelde een bed met drie zussen en zag ratten door de keuken lopen. Als puber werkte oma Netta in de wapenfabrieken van Krupp.

En zij was de enige niet. Rond de Eerste Wereldoorlog leefde nog ongeveer drie op de tien Europeanen in extreme armoede. Wereldwijd waren dat er meer dan zeven op de tien. Er was doorlopend gebrek aan voedsel, gezondheid en veiligheid. Dat Europa is vandaag vrijwel verdwenen.

Ik ben ook rijker dan miljardairs uit oma Netta’s tijd. Rijker dan de Rothschilds en de Krupps. Zij vlogen niet voor een habbekrats heen en weer naar Bangkok of Johannesburg. Ze kenden geen drinkwaterzuivering, geen anticonceptiepil en geen chemo-, immuno- of radiotherapie tegen kanker. Geen internet, wasmachines of streamingdiensten. Geen enkel huis warmde in de winter automatisch op. Wel hadden ze, net als ik, een auto. Meerdere vaak. Maar terwijl ik in mijn oude Kia Venga met muziek, airco en cruisecontrol over de snelweg suis, hobbelden zij in hun Napier of Mercedes Simplex over zandwegen die nog voor paard en kar waren bedoeld.

Voor een paar honderd euro per maand ben ik verzekerd van gezondheidszorg waar zelfs Nathan Mayer Rothschild niet van kon dromen. Ik mag verwachten 85 jaar te worden. Hún levensverwachting was 39 jaar. Niet alleen mijn familie in de krottenwijken van Aken stierven met wat pech aan difterie, wondinfecties of longontsteking. Bij de Krupps en Rothschilds in hun villa’s was het niet anders.

Nooit eerder bevonden we ons in zo’n enorme overvloed. Voor het eerst in de geschiedenis zijn vrijwel alle Europeanen in staat om te léven. In de grauwe sloppen van Aken draaide het nog om óverleven.

Overvloed is het nastreven waard. En overvloed is niet het zoveel mogelijk consumeren van spullen. Overvloed is het scheppen van meer mogelijkheden voor meer mensen. En, ik zeg het alvast, deze overvloed kunnen we bereiken met minder beslag op natuur, milieu en grondstoffen.

Nu het grote máár. Ik ben als individu dan wel steenrijk, maar als burger ben ik allesbehalve tevreden. En ik vermoed dat velen dat zo voelen. Mijn leven, onze Europese levens, het leven van iedereen, wereldwijd, het had nog zoveel beter moeten zijn en vooral ook kunnen zijn.

Het is fantastisch dat inmiddels een-derde van de Europese energie uit CO₂-vrije bronnen komt. Maar waarom is het nog geen twee-derde? We hadden allang in CO₂-arme hogesnelheidstreinen van Helsinki naar Madrid kunnen reizen, onder de Straat van Gibraltar door kunnen treinen naar Marokko. En verder. Het veel armere China stampte in twintig jaar een compleet hogesnelheidsnetwerk uit de grond. Hoe is het mogelijk dat Europa er twintig jaar over doet om één tunnel of spoorlijn door de bureaucratie te loodsen? Wanneer dat überhaupt al lukt?

Zelf eet ik zelden vlees, maar meer dan negen op de tien Europeanen doen dat dagelijks. Ze halen hun vlees uit kadavers van honderden miljoenen koeien en varkens. Waarom liggen in Europa biefstukken of hamburgers niet allang als kweekvlees of vlees uit precisiefermentatie op ons bord? In Singapore, Israël en Australië staat kweekvlees wel op het menu.

Waarom kunnen zoveel Europeanen niet goed rondkomen? Ook al is in Europa vrijwel niemand meer zo arm is als mijn oma Netta, toch vindt bijna de helft van alle Europeanen het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Hoge woonlasten zijn de belangrijkste reden. Waarom worden er van Stockholm tot Athene geen nieuwe steden opgetrokken met betaalbare huizen voor iedereen? 

Bovendien begint op tweehonderd kilometer van de Italiaanse grens een andere wereld. Een wereld waarin van overvloed nog geen sprake is. Wereldwijd leven nog 800 miljoen mensen in extreme armoede, waarvan het leeuwendeel in Afrika. Dat zou ons moeten choqueren. Wie de extreme armoede van Zuid-Soedan, Burundi of Malawi ooit met eigen ogen heeft gezien, weet: onze overvloed had de allerarmsten allang moeten bereiken.

Onze verschuiving richting overvloed valt mooi te beschrijven met het begrip ’tijdprijs’. Een tijdprijs is het aantal uren dat je werkt om iets te kunnen kopen. En dat aantal uren wordt alsmaar kleiner. We werken minder voor ons avondmaal, minder voor onze fiets en minder voor onze museumjaarkaart. Je kunt ook zeggen: we kopen steeds meer voor de uren die we werken.

In 1980 werkte ik als student in een fabriek voor wc-papier. Als negentienjarige verdiende ik toen 9,60 gulden per uur. Een retourticket naar New York kostte rond de 1800 gulden. Had ik naar New York gewild – en ja, dat wilde ik – dan had ik daarvoor bijna 187 uur moeten werken. Een negentienjarige die vandaag 12 euro per uur verdient en voor een retourtje New York 600 euro betaalt, werkt daar nog maar vijftig uur voor. Nu is vliegen maar één voorbeeld. In hun boek Superabundance berekenen Marian Tupy en Gale Pooley dat de tijdprijzen van vrijwel alle producten fors zijn gedaald.

Onze overvloed is geen godsgeschenk. Ze is het resultaat van menselijke creativiteit én een daadkrachtige overheid; van ondernemerschap én technologie; van internationale handel én publieke investeringen; van verlicht eigenbelang én collectieve inspanning. Onze overvloed is een geweldige menselijke prestatie.

Een van de graadmeters is het bruto binnenlands product, het bbp. Al is het een graadmeter met beperkingen. Want het bbp telt ook de productie van rookwaar, drugs en wapens mee, terwijl mantelzorg, vrijwilligerswerk en het opvoeden van kinderen buiten beeld blijven. Bovendien zegt het niets over de verdeling van rijkdom en evenmin over de ecologische schade die economische activiteit veroorzaakt.

Ondanks deze beperkingen correspondeert het bbp opvallend vaak met graadmeters van menselijk welzijn. Wanneer ik landen, gerangschikt op hun bbp, naast landen op de Human Development Index of het World Happiness Report leg, dan zie ik een duidelijke samenhang: hoe rijker een samenleving, hoe groter de bestaanszekerheid, hoe hoger de gezondheid, de individuele vrijheid en het vertrouwen in instituties. Overvloed brengt niet alleen consumptie. Overvloed beschermt mensen ook tegen de stress van armoede, ziekte en honger en geeft ruimte voor onderwijs, cultuur en persoonlijke ontwikkeling.

Het beeld kantelt wanneer ik het bbp vergelijk met indexen rond natuur en milieu. Meest dramatisch is de index van landen gemeten naar hun ‘ecologische voetafdruk’. Hoe armer, hoe korter en ellendiger het menselijk bestaan, hoe lager hun voetafdruk. Plots staan landen als Malawi, Burundi en Eritrea met vlag en wimpel aan top. Iets vergelijkbaars lees ik af in de Planetary Boundaries Sufficiency Index. Wederom in de hoogste regionen, dus keurig binnen alle planetaire grenzen, staan straatarme landen als Zambia, Oeganda, Nepal en Niger.

Blijkbaar trekt elk land met een hoge menselijke welvaart ook een forse wissel op de aarde. PFAS zit in onze voedselketen, biodiversiteit is afgenomen en we stoten nog steeds te veel CO2 uit. De vraag ligt dan ook voor de hand: is het nog wel mogelijk om de natuur, het milieu en het klimaat te redden zonder onze materiële welvaart fors af te bouwen?

Bovendien kennen veel extreem rijke en hoogontwikkelde landen een extreem ongelijke verdeling qua vermogen. Dat geldt uiteraard voor de Golfstaten en de Verenigde Staten, maar ook voor ook Nederland, Zweden en Duitsland. Zo is er in ons land een grote ongelijkheid tussen enerzijds mensen met een afbetaald huis, inclusief overwaarde, plus een goed pensioen, en anderzijds jongeren zonder vermogen, vooralsnog geen pensioen maar wel hoge woonlasten.

Nu is de vermogenskloof tussen een gepensioneerde Nederlandse onderwijzer en zijn kinderen nog niet het grootste probleem. Ronduit beangstigend is de macht van miljardairs en techbro’s. Zij beschikken inmiddels over zo’n enorme vermogens, dat ze waarschijnlijk meer politieke invloed hebben dan hele generaties Rothschilds en Krupps die hen voorgingen. Deze bouwden tenminste nog musea, ziekenhuizen en bibliotheken; hedendaagse techmiljardairs kopen sociale en reguliere media, satellietconstellaties en complete verkiezingscampagnes.

Afgelopen juni publiceerde een groep linkse economen – Thomas Piketty, Olivier De Schutter, Joseph Stiglitz, Kate Raworth en Jason Hickel – een ‘Global Justice’-rapport waarin ze betogen dat rijke landen hun economische groei fors moeten afremmen of zelfs beëindigen. Alleen zo keren we terug binnen onze planetaire grenzen en kunnen we de wereldwijde ongelijkheid opheffen. Tegen het jaar 2100 moeten alle landen, rijk en arm, convergeren naar een maandinkomen van vijfduizend euro. Rijke landen moeten daarvoor hun economische groei terugdraaien richting nul procent. Arme landen mogen daarentegen blijven groeien. Afrika bezuiden de Sahara zou van 290 euro per maand naar 5.000 euro moeten stijgen. De economen combineren dit met een wereldwijde vermogensbelasting op miljardairsvermogens, en een forse inkomstenbelasting.

Ik lees hun voorstellen en ze bevatten niet alleen de juiste morele uitgangspunten. Ze bevatten ook de juiste vragen. Hoe verdelen we de mondiale rijkdom eerlijker? Hoe zorgen we dat arme landen ruimte krijgen om hun armoede uit te roeien? Hoe voorkomen we dat economische vooruitgang ten koste gaat van de natuur en het milieu, het klimaat incluis?

Liefst zou ik hun aanbevelingen willen omarmen, maar dat lukt me niet. Wanneer je je het mondiale bbp zou bevriezen, zoals de economen willen, moet de economische activiteit in het Westen tot een derde van de huidige omvang worden teruggebracht. Dat berekende de econoom Branko Milanovic van de Wereldbank. Zulke degrowth is volgens Milanovic politiek en sociaal onhaalbaar. Want geen enkele samenleving accepteert zo’n krimp vrijwillig.

In Nederland zou bijna een kwart van de bevolking er flink op achteruit gaan. Een dergelijke vorm van krimp werkt daarom eerder averechts dan dat ze de gewenste herverdeling op zal leveren. Daarin heeft Milanovic ongetwijfeld gelijk. Wie ziet hoe zelfs de meest subtiele voorstellen om de aftrek van hypotheekrente aan te pakken hele volksstammen richting VVD jaagt, zou des te voorzichtiger moeten zijn met een voorstel om de komende 75 jaar maximaal vijfduizend euro per maand te verdienen.

Naast de praktische bezwaren heeft Milanovic ook een principiële kritiek: krimp is simpelweg niet de enige route naar een rechtvaardige en ecologisch houdbare wereld. We kunnen de natuur en het klimaat wel degelijk redden zonder onze welvaart af te breken, en we kunnen de enorme vermogensongelijkheid ook aanpakken zonder iedereen te verarmen. Want er is een alternatief dat op véél meer draagvlak kan rekenen: het opnieuw bevorderen van overvloed.

Een eerste stap op die route is verdere ontkoppeling. Dan gaat economische groei niet langer hand in hand met de ecologische schade die zij eerder aanrichtte. Ontkoppeling is geen wensdenken. Het gebeurt al in landen die samen 92 procent van de wereldeconomie vertegenwoordigen. In al die landen zien we vandaag een daling of vertraging van hun CO₂-uitstoot, terwijl hun economieën blijven groeien. In Nederland groeide het bbp sinds 1990 met meer dan zestig procent, terwijl de uitstoot van CO2 met meer dan veertig procent afnam. En stootte Europa in 1990 nog meer dan acht miljard ton CO2 uit, in 2024 zaten we onder de vijf miljard ton.

Ontkoppeling is een opmonterend verschijnsel waarover we, vreemd genoeg, veel te weinig horen of lezen. Nu verdient deze constatering een belangrijke kanttekening. Terwijl rijke, traag groeiende economieën als de Verenigde Staten en de Europese Unie hun uitstoot in absolute zin fors zien dalen, daalt die in snelgroeiende economieën als China en India vooralsnog in relatieve zin. Hier blijft de uitstoot stijgen, al gebeurt dan in een veel minder hoog tempo dan voorheen.

En hoe veelbelovend ontkoppeling ook is, ze vloeit niet als vanzelf voort uit economische groei. Ontkoppeling is geen wet van Meden en Perzen. Ontkoppeling is er alleen zolang beleid, technologie en politieke wil haar bevorderen. Desondanks is ontkoppeling meer dan hoop: ontkoppeling weerlegt het fatalisme dat groei en schade onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Ontkoppeling geldt ook voor landbouw. Rond de eeuwwisseling piekte wereldwijd de omvang van de grond waarop landbouw wordt gepleegd, sindsdien daalt die omvang licht, terwijl de wereldbevolking doorgroeit. Ook dat is een bemoedigende ontwikkeling, want waar geen landbouw meer plaats vindt, kan de natuur weer terugkeren. Ook hier geldt dat het rijke deel van de wereld vooroploopt, terwijl met name in Sub Sahara Afrika natuur blijft verdwijnen en er landbouwgrond voor in de plaats komt. Behalve ontkoppeling rond landbouwgrond en de uitstoot van CO2, zie je deze inmiddels ook bij ontbossing, fijnstof, ozonafbrekende stoffen en luchtverontreiniging.

Een tweede stap op deze route, is blijvende terugdringen van ellende. Drie decennia van globalisering en wereldwijde economische groei, tilden honderden miljoenen mensen uit extreme armoede. Moest in 1990 nog veertig procent van de wereldbevolking leven van minder dan drie dollar per dag, vandaag is dat tien procent. Kindersterfte onder de vijf jaar daalde wereldwijd met bijna zestig procent. Malariasterfte halveerde tussen 2000 en 2015.

Ook hier past een kanttekening. Sinds enkele jaren stokt die vooruitgang. In 2023 steeg het aantal malariadoden zelfs weer, voor het eerst in jaren. En in Afrika bezuiden de Sahara, is de daling van extreme armoede nooit echt op gang gekomen. Het aandéél arme mensen daalde wel, maar het aantál steeg; simpelweg omdat de bevolking sneller groeide dan de economie.

De landen die wereldwijd de grootste vooruitgang boekten – met name in Oost- en Zuid-Azië – deden dat door snelle economische groei, gecombineerd met gerichte investeringen in gezondheidszorg, onderwijs en infrastructuur. Waar die combinatie ontbreekt, zoals in delen van Afrika, is er weinig kans op vooruitgang. Maar zonder economische groei is die vooruitgang er vrijwel zeker niet.

Oma Netta was 44 jaar oud toen Aken brandde. De Duitse stad was de eerste die de geallieerden op de nazi’s veroverden. Mijn grootouders woonden inmiddels in een dorp buiten Aken en tuurden avond na avond met afschuw naar de felrode gloed die boven de stad hing. Toen de rook optrok, was van de krottenwijken uit mijn grootmoeders jeugd niets meer over. In de hele stad waren meer dan vier op de vijf huizen verwoest of zwaar beschadigd. Waar ooit 160 duizend mensen woonden, keerden er nog geen 20 duizend terug. Voor wanhoop was geen tijd. Voor rouw om wat verloren ging, was geen ruimte. Terwijl honderdduizenden Duitse mannen achterbleven op de slagvelden, sloegen honderdduizenden Duitse vrouwen het stof van hun kleren en begonnen weer op te bouwen. Ze deden wat gedaan moest worden: water gehaald, brood gebakken, muren opgemetseld, daken gerepareerd.

Netta kon zich onmogelijk voorstellen wat haar kleinzoon, die zeventien jaar later geboren zou worden, ooit zou doen en bezitten: een huis zonder ratten. Vliegreizen. Een Kia Venga met airco.

Onze levens zijn niet meer te vergelijken met die van mensen in de eerste helft van de vorige eeuw. Wij zijn rijker dan Krupp of Rothschild en het wordt tijd dat we ons daar niet langer voor verontschuldigen. Het wordt tijd we onze overvloed weer gebruiken om aan de toekomst te bouwen. De middelen zijn er. De kennis is er. Wat ontbreekt, is verbeeldingskracht. Niet minder ambitieus worden, maar ambitieuzer. Niet minder investeren, maar meer. Niet verlangen naar minder vooruitgang, maar weer geloven dat vooruitgang mogelijk is. Het wordt hoog tijd om weer in te zetten op een overvloed aan woningen, kweekvlees en hogesnelheidstreinen van Amsterdam tot Kiev en Casablanca.

Oma Netta had geen idee hoe rijk haar kleinkinderen zouden worden. Zij wist alleen dat het leven beter, ja veel beter, moest worden dan het leven dat zij gedwongen was om te leven. En dat zij, en niemand anders, er iets van moest maken. Uit deze, onopgemerkte, pragmatische en alledaagse volharding werd de overvloed opgebouwd waarin we vandaag leven. Misschien is dat de meest progressieve gedachte die we opnieuw moeten leren: niet tevreden zijn met wat we hebben, maar werken aan wat mogelijk is.

Leave a Reply

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

single.php