
Wapens gebruikt door Hutumilities tijdens Rwandese genocide 1994. Murambi Technische School. (Foto: Edwin Mermans)
We moeten het kwaad in de ogen kijken om het kwaad te voorkomen. En om ons in te zetten voor het goede, meent Ralf Bodelier.
Navenant, mei 2026
Een voorjaarsavond in 1986. Ik pak mijn rugzak in. Slaapzak, eenpersoonstentje, tandenborstel, schrijfgerei, landkaarten. De volgende ochtend lift ik naar Polen. Zes weken lang zwerf ik langs de grote concentratiekampen: Auschwitz-Birkenau, Treblinka, Bełżec, Sobibór, Majdanek, Chełmno. Ik ben 25, werk als docent aan een opleiding voor journalisten en wil met eigen ogen zien tot welke gruwelijkheden mensen in staat zijn.
Waarom doe ik dit? Ik kan het niet goed onder woorden brengen. Blijkbaar voel ik, veilig opgegroeid in het Limburgse Mergelland, een behoefte om het kwaad onder ogen te zien. Niet door het zelf te ondergaan, wel door erbij in de buurt te komen. Om het niet alleen te begrijpen, ook om het te voelen en te ervaren. Om mijn studenten journalistiek meer mee te geven dan boekenwijsheid.
Compost
Polen bevindt zich nog achter de Muur, toeristen zijn er niet. Sommige kampen liggen er nog bij alsof de nazi’s hen gisteren hebben verlaten. In Majdanek trekt een oude man een houten poort open, loopt weg en laat me alleen tussen enorme bergen schoenen, koffers en kleren. Deze spullen waren ooit van mensen. Van bijna honderdduizend joodse mannen, vrouwen en kinderen. Hun as werd door de SS vermengd met groenafval en in hun moestuinen als tuinaarde gebruikt. De composteerbakken staan nog half vervallen op het kampterrein.
Niet eerder besefte ik hoe kwetsbaar samenlevingen zijn. Hoe diep mensen kunnen zinken, hoe een handvol kwaadaardige mannen zoveel onschuldigen de dood in kan jagen. Later herhaalt deze ervaring zich. Begin deze eeuw loop ik in Rwanda door klaslokalen van de Murambi technische school. In voormalige slaapzalen liggen op bedden honderden gemummificeerde lichamen en stapels schedels met diepe gaten. Tutsi, kinderen, vermoord door radicale Hutu tijdens de genodice van 1994.
In Beiroet wandel ik door Sabra en Shatila, vluchtelingenkampen waar in 1984 Libanese milities duizenden Palestijnen vermoordden. In Malawi lift ik naar het kamp Dzaleka, boven op een winderige berg waar vijftigduizend vluchtelingen uit Congo en Burundi overleven in abominabele omstandigheden. In Za’atari, een kamp in Jordanië met 120 duizend vluchtelingen uit Syrië, pakt een meisje van zes, zeven jaar mijn hand en laat die een hele ochtend niet meer los. Concentratiekampen, menselijke compost, schedels en skeletten, vluchtelingen, wonden, verhalen, een meisjeshand. Elke ontmoeting met het kwaad brengt me van slag. Toch blijf ik gaan, blijf ik het kwaad opzoeken.
Levensverwachting
Het omgekeerde gebeurt overigens ook. Oog in oog met het onvoorstelbare, begin ik te beseffen hoeveel veiliger de meeste mensen vandaag zijn. Dat Auschwitz en Rwanda niet de regel zijn, maar de uitzondering. Dat de kans om te sterven door oorlogsgeweld nog maar een fractie is van die in 1950. Dat onze levensverwachting de afgelopen eeuw verdubbelde. En hoe belangrijk het is om deze vooruitgang te beseffen. Om hem te vieren en, vooral, om onze vooruitgang te verdedigen.
Het diepe besef dat mensen elkaar zoveel ellende aan kunnen doen, dat jij morgen zelf slachtoffer of dader kunt zijn, dat het kwaad opdoemt wanneer je even niet oplet; voor mij is dat alles een enorme motivatie om me in te zetten voor een samenleving waarin wreedheid wordt verhinderd, teruggedrongen en afgestraft. Mij maken de kampen, de lijken en de vluchtelingen somber én optimistisch, realistisch én strijdlustig. En vooral: vastbesloten om niet cynisch te worden. Want wie cynisch is, gaat op zijn handen zitten, verdoet zijn leven met bridgen en televisiekijken en laat de wereld op zijn beloop.
Ik ben de enige niet. Honderdduizenden mensen geven tijd, geld en energie voor een menswaardig bestaan voor iedereen. Zelden halen deze mensen de voorpagina. Maar ze zijn er wel degelijk: de verregende collectant van Amnesty International, de oudere dame die zich bekommert om daklozen in haar wijk, de tandarts die gratis het gebit van arbeidsmigranten saneert, de moeder die op haar puberzoons inpraat zich niet mee te laten slepen door extreemrechts.
Tineke Ceelen
Sommigen groeien uit tot helden, zoals de door Poetin vermoordde Alexei Navalny. Of de door de Taliban neergeschoten Pakistaanse scholiere Malala Yousafzai. De Congolese arts Denis Mukwege en de Nederlandse voorvechter van vluchtelingen Tineke Ceelen. Mensen die laten zien hoe ver gewone moed kan reiken.
Het kwaad is geen monster dat vanuit de verte op ons loert. Het is een mogelijkheid die in ieder van ons huist, wachtend op een moment van onverschilligheid. Juist daarom is dat oogcontact met de duisternis zo cruciaal. Vandaag herinneren nieuwe oorlogen en oude reflexen ons eraan dat beschaving nooit een eindstation is, maar een dagelijkse inspanning vereist.
Dat onze beschaving telkens weer mensen nodig heeft die bereid zijn haar te verdedigen. Want je keert terug. Je pakt je rugzak uit. Je stapt je eigen wereld weer binnen. En je besluit dat de geschiedenis zich niet mag herhalen.
